Der Ring des Nibelungen in Weimar – Siegfried

Een Ring laat zit net zo moeilijk smeden als het zwaard Nothung. Dat moet ook de regisseur Michael Schulz hebben ervaren toen hij aan het derde van Der Ring des Nibelungen begon. Hij staat daarin niet alleen. In veel ensceneringen is de eerste akte van Siegfried vaak een zwak element. Uiteraard zijn er aantrekkelijke momenten (met name het smeedlied aan het einde van de akte), maar die zijn schaars naast de taaie hervertellingen van de voorgaande delen.

De beeldentaal van Schulz was ook wat minder helder in Siegfried dan in de vorige delen. Het punt dat Schulz wilde maken was dat voor het creëren van iets nieuws (in het geval van Siegfried het zwaard Nothung) moet een mens veel meer vertrouwen op zijn intuïtie dan op vakliteratuur. Lezen is iets was zowel Siegfried als zijn adoptievader zeer veel doen. Siegfried verdiept zich als jongetje graag in sprookjes en ridderromans (de opera opent met de inmiddels vertrouwde Nornenschets voorgelezen als een spannend jongensboek), terwijl Mime alle mogelijk naslagwerken raadpleegt om te zoeken naar een mogelijkheid Nothung te smeden.

Nothung zal echter puur uit intuïtie door Siegfried gesmeed moeten worden, net zoals hij ook het echte leven zal moeten leren door het te leven en niet door erover te lezen. Op het moment dat Siegfried erin slaagt het zwaard te smeden verschijnen alle figuren die wij uit de voorafgaande delen hebben leren kennen op het toneel en bevolken eigenlijk de fantasiewereld van Siegfried. Met zijn nieuwe zwaard zal hij in staat zijn de echte wereld (die in zijn geval een rechtstreeks verlengstuk is van zijn fantasiewereld) te betreden.

In de tweede akte komen we de twee kanten van dezelfde medaille weer tegen. Net als in de opening van Das Rheingold staan Wotan en Alberich weer tegenover elkaar. Het lijkt alsof ze moe geworden zijn van het toneelspel wat ze zelf geënsceneerd hebben. Beiden hebben voor opvolgers gezorgd (Siegfried en Alberich) en voelen dat ze het stokje over moeten geven. Echter de vloek van de Ring drukt nog op hen allebei en de vraagt dringt zich op of met name Wotan in staat zal zijn de regie uit handen geven.

Wotan’s  “Grosse Gedanke” zal echter alleen slagen als Siegfried echt als vrije mens kan handelen. Maar dat neemt Wotan wel erg letterlijk. Nadat Wotan de draak heeft verslagen (een vraatzuchtig monster met obesitas) en door het drakenbloed de dierenwereld kan verstaan laat Wotan het woudvogeltje verkrachten door zijn ‘bodyguards’ Donner en Froh. Siegfried mag onder geen beding hulp van welke kant dan ook krijgen!

Gelukkig heeft het vogeltje net op tijd de weg naar Brünnhilde kunnen wijzen en kan Siegfried zijn “Heilige Braut” wakker kussen. Dit is het moment waarop ze zo verheugd heeft gewacht sinds Wotan haar achterliet in de Ring van vuur. En natuurlijk is ze nog gekleed in het bruidsgewaad waarin ze is gaan slapen.

Schulz laat hen haast kinderlijk een paar onschuldige kusjes uitdelen, niet wat je bij zo’n magisch moment verwacht. Daardoor wordt de onstuimige hartstochtelijkheid die Siegfried enige momenten later vertoont des te geloofwaardiger resoluut van de hand gewezen door de kuise Brünnhilde.

Evenals in de eerste akte is dit een scène die als extreem lang kan overkomen. Schulz geeft de scène structuur door het paard Grane (in deze enscènering eigenlijk meer een hartsvriendin van Brünnhilde, en dus gespeeld door een oudere vrouw met prachtig lang grijs haar) een enorme feesttafel (voor het bruidsmaal) te laten dekken. Gasten zien we niet verschijnen, maar het moge duidelijk zijn dat Siegfried en Brünnhilde aan het einde gelukkig getrouwd zijn!

Na 3 avonden valt langzamerhand de balans op te maken, de enscenering heb ik in dit en voorgaande delen uitvoerig beschreven, maar ook muzikaal is er een patroon te ontdekken. In de hoofdrollen (Siegfried (Stefan Vinke), Mime (Frieder Aurich), Alberich (Mario Hoff), Wotan (Renatus Mészár) en Brünnhilde (Catherine Foster) zijn goede tot uitstekende prestaties te ontdekken. Het zou echter fraai zijn als ze werden gedragen door een meer weldadige orkestklank en een dirigent (Martin Hoff) die ofwel meer zijn zangers zou volgen, ofwel meer duidelijkheid bij zangers en orkest zou afdwingen. Het nu bereikte compromis leidt vaak tot problemen met gelijkheid, balans en sonoriteit.

Maar zoals voor opera altijd geldt, en de Ring in het bijzonder: “It ain’t over untill the fat lady sings”. Afwachten dus hoe Weimar zijn ring afsluit.

Lees hier meer over Siegfried